De eerste helft: een cultuurgeschiedenis van de periode 1900-1940
oktober – december 2013: 
Museum Het Domein, Sittard • Pesthuyspodium, Maastricht • Cuypershuis, Roermond
Aanmelding voor het Cuypershuis via www.cuypershuisroermond.nl
M...1244..Lola-Lola-1024x786[1] 1927colette_in_rve_dgypte[1] 1907SFA03_SFA022820643_X[1] ca 1927achtergrond ppt
La belle époque, grofweg de periode 1890 – 1914, is een tijd van grote veranderingen en het jaar 1900 markeert daarin de wisseling van de voorbije en een nieuwe tijd op een wel heel overtuigende wijze: Max Plancks artikel ‘Zur Theorie des Gesetzes der Energieverteilung im Normalspektrum’ zet de gevestigde wetenschap finaal op zijn kop en introduceert de wonderbaarlijke wereld van de kwantummechanica. Freuds Traumdeutung doet iets soortgelijks, maar dan op het gebied van de menselijke geest. De grote filosoof Friedrich Nietzsche sterft in 1900, en Edmund Husserl publiceert dat jaar het eerste deel van zijn Logische Untersuchungen, die de grondslag zullen vormen van de twintigste-eeuwse filosofie.

De eeuwwisseling is voor de één de aankondiging van een opwindende en nieuwe tijd, voor de ander het einde van de beschaving. Somberheid en opwinding uiten zich in spleen, hysterie, neurasthenie en andere geestesaandoeningen waaraan de moderne mens onderhevig is.
De kunstenaars – de seismografen van de samenleving – reageren onmiddellijk op de grote veranderingen die zich voordoen in wetenschap en wereldbeeld en proberen de nieuwe wetenschappelijke en psychologische inzichten te vertalen in hun werk. ‘Nauwkeurigheid is geen waarheid’, stelt Matisse vast, en gaat net als zijn andere kunstbroeders op zoek naar de essentie – wat dat dan ook moge zijn.

In  de jaren na de eeuwwisseling buitelen de ontwikkelingen over elkaar heen. Op alle gebieden van de cultuur (wetenschap, kunst, psychologie, filosofie, enz.) is een ware revolutie gaande. Intussen leiden politieke ontwikkelingen tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog die in één klap een einde maakt aan het optimisme van het begin van de twintigste eeuw. De daarop volgende jaren laten wisselende reacties zien op de ontwikkelingen en gebeurtenissen van die jaren: onbezorgdheid (tegen beter weten in?) in de jaren twintig, sombere grimmigheid (als reactie op de economische crisis) in de jaren dertig, uitmondend in de Tweede Wereldoorlog en de naziterreur van het Derde Rijk.

Deel 1: Decadentie en het fin de siècle (1900 – 1910)
Deel 2: Primitivisme. Op zoek naar de essentie (1900 – 1910)
Deel 3: De Sacre du printemps als voorbode van WOI (1910 – 1920)
Deel 4: Revolutionair elan en de Nieuwe Mens (1910 – 1920)
Deel 5: Berlijn: die Goldene Zwanziger Jahre (1920 – 1930)
Deel 6: Amerika: the Roaring Twenties (1920 – 1930)
Deel 7: Modern Times (1930 – 1940)
Deel 8: Entartete Kunst (1930 – 1940)

Elke periode wordt besproken in twee cursusdelen, waarbij veelvuldig gebruik wordt gemaakt van foto- en filmbeelden, geluidsfragmenten en ander illustratief materiaal.