Filosofiereeks ‘Het denken vóór en ná de Grote Oorlog’

Arthur-SchopenhauerNietzsche1882wittgensteinbertrand-russell
In de reeks Het denken vóór en ná de Grote oorlog komt een aantal filosofen en denkers aan bod die tegen de achtergrond van de tweede industriële revolutie en de Eerste Wereldoorlog hebben geprobeerd nieuwe antwoorden te formuleren op de snel veranderende omstandigheden van de mens in de moderne wereld. Het rationele wereldbeeld van de verlichtingsfilosofen wordt uitgedaagd door denkers die geloven dat de rede niet zaligmakend is. Het denken, de taal en het bewustzijn hebben grote beperkingen, menen zij. Ze leggen daarmee de basis voor een Umwertung aller Werte (Nietzsche) die de filosofie vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw beheerst. Wat is de plaats van de mens in de wereld? Hoe kunnen we iets kennen? Welke mogelijkheden biedt de taal om uitspraken te doen over de wereld? Hoe dienen we te handelen? Deze (en vele andere) vragen worden in de lezingenreeks besproken aan de hand van het leven en werk van een aantal bijzondere denkers.

Deel 1: De ‘meesters van het wantrouwen’ – Schopenhauer, Nietzsche en Freud (periode 1850-1900)
Deel 2: Brentano: het begin van de fenomenologie (periode 1875-1900)
Deel 3: Het vitalisme van Henri Bergson (periode 1900-1910)
Deel 4: Wittgenstein en Russell (periode 1910-1920)
Deel 5: Het existentialisme van Heidegger (periode 1920-1930)
Deel 6: Pragmatisme – de Amerikaanse filosofie van William James en John Dewey (periode 1900-1950)

De reeks Het denken vóór en ná de Grote Oorlog is in principe te volgen zonder voorkennis van filosofie. Wijsgerige belangstelling is overigens wel aan te bevelen. Lastige begrippen zullen zoveel mogelijk in begrijpelijke taal worden verklaard en filosofische vragen en dilemma’s met voorbeelden geïllustreerd.